Vriendlief O en ik hebben een gezamenlijke interesse in oude meuk, en bezoeken graag rommelmarkten. Nu konden we de halfjaarlijkse verzamelaarsjaarbeurs niet missen, zeker nu we haast een jaar samenwonen en we nog genoeg plek hebben in ons huisje voor meer curiosa.
We hadden niets nodig, want als je naar een rommelmarkt gaat heb je eigenlijk niet echt iets nódig. “Misschien kunnen we een leuk fotolijstje vinden voor die ene foto van de vakantie”, zeg je dan, of “Eigenlijk zoek ik nog een opgezet hert voor aan de muur”. Dat soort dingen. Een rommelmarkt lijkt in die zin ook wel op Ikea: je gaat voor een Billy boekenkast maar komt naast een handzaam bouwpakket ook thuis met servetten, drie nieuwe glazen en een schapenkleed. Vriend O en ik weten dat stiekem ook wel, dus hadden we genoeg geld gepind om thuis te komen met een volledige inrichting voor mijn studeerkamer.
Bij binnenkomst werden we begroet door een muffe lucht; een mix van stof, zweet en vieze patat. Zoals het een echte rommelmarkt betaamt. “Jezus”, zuchtten we, “we moeten denk ik even erin komen voordat we hier aan gaan beginnen”. Het is duidelijk geen leugen dat de verzamelaarsjaarbeurs de grootste van Europa is. Eindeloze rijen tafeltjes en ludiek ingerichte hokjes (dames, let op: Victoriaans, oud-roze en kant is het helemaal dit jaar), galmende gesprekken en morsig turende bezoekers stonden ons op te wachten. Dus spraken we een systeem af: eerst de ene kant van de rij, dan terug langs de andere kant. En pas blijven staan als iets triggert: een mooi schilderijtje, een mooie stand of een heel lelijk wijf achter de tafel.
Want daar grossieren rommelmarkten in: lelijke mensen. Heimelijk roken ze sjekkies en rochelen prijzen over hun ‘antiek’, een wit propje slijm in de mondhoeken, resten van roze koeken rollen over hun copieuze buiken, koudgeworden koffie schuin in styrofoam in de hand. Je weet dat dat de profi’s zijn: daar valt mee te onderhandelen, die kennen de klappen van de zweep. Een braderie in Putten of de beurs in Utrecht, elk weekend valt er wel te handelen in allerhande zooi. Heel anders dan de Hollandse vrouwen met hun kroppen sla op het hoofd die ook leuk eens op een marktje willen staan: zelfgebreide pashmina’s en kekke Oxo-theekopjes, aquarellen van een vrouwtje uit het buurthuis, theezakjeskunst, broches in de vorm van Zeeuwse knopen. Deze dames zijn hebben een hobby, die verkópen.
Wat je danig mist bij de doorsnee rommelmarkt zijn de extraatjes: waar de gewone rommelmarkt opgevrolijkt wordt door een zwakzinnige met een keyboard en iemand z’n dochter die zo leuk Jan Smit kan zingen, heeft de verzamelaarsjaarbeurs ook nog échte bekende mensen. Ja, op de sci-fi afdeling maakten Paul Blake en Keith Swaden hun opwachting: respectievelijk Bounty Hunter en Stormtrooper in Star Wars. Daar kan de Comic-Con niet tegenop dacht ik zo. Drie verklede stromtroopers en een hoop puisterige nerds liepen rond tot O’s grote onbegrip en mijn groot vertier. De Megaplatenbeurs hebben we nog even aangedaan, vooral omdat er een rookruimte werd beloofd, maar het grote aantal metal t-shirts en veertig-jaar-oude Supetrampfans met rugzak werd ons iets te gortig.
Dus strompelden we haast plichtsmatig alle rommelstandjes af, raapten hier en daar wat op, besloten dat we een schilderij van twee bij vier meter van een tijger die een hond opeet boven ons bed moesten, vonden drie schilderijen van 600 euro echt veel te duur, lachten om de filatelisten en de muntenafficionados, pasten oudemannenhoedjes, aten veel te dure vieze patat, werden verliefd op een opgezet musje, zagen zes keer hetzelfde tegeltje in verschillende prijsgradaties en gingen met lege handen en pijnlijke voeten naar huis. Beteuterd keken we naar elkaar in de trein, met als troost een grote zak snoep op onze schoot. “In november is er weer een”, zei ik hoopvol.
dus… je hebt ‘t leuk gehad?